Om u de beste gebruikservaring te kunnen bieden, gebruiken wij cookies. Voor meer inhoudelijke informatie en het onderscheid die wij hier in maken, verwijzen wij u door naar ons Cookie beleid

Accepteer cookies

Statuten

 

 
STATUTEN HENGELSPORTVERENIGING OLST                                                                                   

 

Naam, zetel en duur


Artikel 1

1. De vereniging draagt de naam: Hengelsportvereniging Olst

Zij wordt in de statuten genoemd: "de vereniging".

De vereniging heeft haar zetel te Olst
   
2. De vereniging is opgericht op 1 augustus 1948 en wordt voor onbepaalde tijd voortgezet.

 

Doel en werkwijze

Artikel 2

1. Het doel van de vereniging is:
a. het bevorderen van de hengelsport als sportieve recreatie;
b. het beschermen en verbeteren van de visstand;
c. het behartigen van de belangen op hengelsportgebied van de sportvis­sers in het algemeen en van de leden en de jeugdleden van de vereni­ging in het bijzonder.

2. De vereniging tracht haar doelstellingen te bereiken, hetzij zelfstandig, hetzij in samenwerking met andere hengelsportverenigingen, hetzij door aansluiting bij- en in samenwerking met overkoepelende organisaties door:
a. het kopen, huren of op andere wijze, met of zonder lasten, ter beschik­king krijgen van vis- en looprecht, viswater, terreinen, opstallen en van overige zaken, die de beoefening van de hengelsport kunnen bevorderen;
b. te streven naar wettelijke regelingen en andere overheidsmaatregelen, waardoor de belangen van de hengelsport worden gewaarborgd en moge­lijk bevorderd;
c. het in stand houden en verbeteren van een milieu dat aan de beoefe­ning van de hengelsport zoveel mogelijk kansen biedt;
d. het zonodig uitzetten van vissoorten die voor de hengelsport en/of het milieu van belang zijn of kunnen zijn en overigens het zoveel mogelijk op peil houden van de visstand in het ter beschikking van de (jeugd)leden staande viswater;
e. alle overige wettige middelen welke de doelstellingen van de vereni­ging kunnen bevorderen.

 

Categorieën van betrokken personen

Artikel 3

De vereniging kent:
a. ereleden;
b. leden;
c. jeugdleden;
d. begunstigers.

 

Ereleden


Artikel 4


Ereleden zijn natuurlijke personen die vanwege hun verdiensten voor de vereni­ging en/of hengelsport in het algemeen op voorstel van het bestuur door de ledenverga­dering tot erelid zijn benoemd.

Ereleden hebben alle rechten, voortvloeiend uit het lidmaatschap van de vereniging behoudens het stemrecht, tenzij zij tevens lid van de vereniging zijn, in welk geval zij eveneens het stemrecht hebben.

Ereleden zijn vrijgesteld van financiële verplichtingen jegens de vereniging.

 

Leden en lidmaatschap

Artikel 5

1. Leden van de vereniging kunnen zijn natuurlijke personen die de leeftijd van veertien jaar hebben bereikt of zullen bereiken in het jaar waarin zij zich voor het lidmaatschap aanmelden.

2. De aanmelding voor het lidmaatschap dient schriftelijk te geschieden bij het bestuur door middel van een aanmeldingsformulier dat verkrijgbaar is bij het secretariaat van de vereniging en/of een andere door het bestuur aan te wijzen persoon dan wel op een andere door het bestuur aan te wijzen plaats.

Het aanmeldingsformulier van een minderjarige dient mede te worden ondertekend door diens wettelijke vertegenwoordiger(s).

3. Het bestuur beslist uiterlijk binnen twee maanden na ontvangst van het aanmeldingsformulier over de toelating tot het lidmaatschap.

Bij toelating tot het lidmaatschap ontvangt het lid een lidmaatschapsbe­wijs.

Bij niet-toelating geeft het bestuur de aanvrager van het lidmaatschap schrifte­lijk bericht daarvan waarin de redenen die tot weigering van de toelating hebben geleid worden vermeld en de moge­lijkheid om tegen die beslissing schriftelijk beroep in te stellen bij de commis­sie van beroep zoals vermeld in artikel 16.

4. Bij niet-toelating tot het lidmaatschap kan de aanvrager binnen één maand na ontvangst van voormelde schriftelijke kennisgeving beroep instellen bij de commis­sie van beroep zoals vermeld in artikel 16.

De commissie van beroep beslist in hoogste instantie omtrent het ingestel­de beroep binnen zes weken na ontvangst door het bestuur van het beroeps­schrift. De commissie van beroep kan alsnog tot toelating besluiten, in welk geval de betrokkene een lidmaat­schapsbewijs/toestemming ontvangt.

De aanvrager wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk van het besluit van de commissie in kennis gesteld.

5. Een jeugdlid wordt met ingang van 1 januari van het jaar, waarin het jeugdlid de leeftijd van veertien jaar bereikt, toegelaten tot het lidmaatschap van de vereniging, tenzij het jeugdlidmaatschap vóór 1 oktober van het voorafgaande jaar schriftelijk is opgezegd.

 

Jeugdleden en jeugdlidmaatschap

Artikel 6

1. Jeugdleden van de vereniging kunnen zijn natuurlijke personen die nog niet de leeftijd van veertien jaar hebben bereikt of zullen bereiken in het jaar waarin zij zich voor het jeugdlid­maatschap aanmelden.

2. De aanmelding voor het jeugdlidmaatschap moet schriftelijk gebeuren bij het bestuur door middel van een aanmeldingsformulier dat verkrijgbaar is bij het secretariaat van de vereniging en/of een andere door het bestuur aan te wijzen persoon dan wel op een andere door het bestuur aan te wijzen plaats. Het formulier dient door de wettelijke vertegen­woordiger(s) van de aanvrager te worden ondertekend.

De indiening van het aanmeldingsformulier voor het jeugdlidmaatschap houdt in een aanmelding voor het lidmaatschap van de vereniging met ingang van de datum waarop de aanvrager dat lidmaatschap kan verkrijgen, onder toepassing van het bepaalde in artikel 5 lid 5.

3. Het bestuur beslist over de toelating tot het jeugdlidmaatschap binnen één maand na ontvangst van het aanmeldingsformulier.

Bij toelating tot het jeugdlidmaatschap wordt aan de wettelijke vertegen­woordiger(s) van het jeugdlid een ten name van het jeugdlid gesteld jeugdlid­maatschapsbewijs toegezonden.

Bij niet-toelating geeft het bestuur de wettelijke vertegenwoordiger(s) van de aanvrager schriftelijk bericht daarvan. Tegen deze beslissing van het bestuur staat geen beroep open.

 

Aanvang en einde van het lidmaatschap

Artikel 7

1. Het lidmaatschap van de vereniging vangt aan op de datum waarop het bestuur dan wel de commissie van beroep, tot de toelating van de aanvrager heeft besloten. In het geval, vermeld in artikel 5 lid 5 vangt het lidmaatschap van het betrokken jeugdlid aan op één januari van het jaar, waarin dat jeugdlid de leeftijd van veertien jaar bereikt.

2. Het lidmaatschap eindigt:
a. door overlijden van het lid;
b. door schriftelijke opzegging door het lid;
c. door schriftelijke opzegging namens de vereniging.

Deze opzegging kan gebeuren wanneer een lid zijn verplichtingen jegens de vereniging niet, niet tijdig of niet volledig nakomt en ook wanneer redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaat­schap van het betrokken lid voort te zetten;

d. door ontzetting uit het lidmaatschap met onmiddellijke ingang.

Deze ontzetting kan alleen worden uitgesproken wanneer een lid in strijd met de statuten, het huishoudelijk reglement of besluiten der vereniging handelt, waaronder begrepen het begaan van de overtredin­gen welke zijn opgenomen in het huishoudelijk reglement, of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt.

3. Opzegging namens de vereniging geschiedt door het bestuur.

4. Opzegging door het lid of namens de vereniging kan slechts gebeuren tegen 31 december van enig jaar.

Bij opzegging door het lid kan opzegging slechts plaatsvinden met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste drie maanden en door middel van een gedagte­kende en persoonlijk ondertekende en ten aanzien van een minderja­rig lid door diens wettelijke vertegenwoordiger(s) mede-ondertekende brief aan het bestuur.

Bij opzegging namens de vereniging kan de opzegging plaatsvinden met inachtne­ming van een opzegtermijn van tenminste één maand.

Het lidmaatschap kan echter met onmiddellijke ingang worden opgezegd indien van een lid of van de vereniging redelijkerwijs niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren.

5. Een opzegging in strijd met het bepaalde in het vorige lid, doet het lidmaat­schap eindigen op 31 december van het jaar volgende op het jaar waarin is opgezegd.

6. Ontzetting uit het lidmaatschap gebeurt door het bestuur.

7. Van een besluit tot opzegging van het lidmaatschap namens de vereniging en van een besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap staat de betrokkene binnen een maand na de ontvangst van de kennisgeving van het besluit, schriftelijk beroep open op de commissie van beroep. De betrokkene wordt daartoe zo snel mogelijk schriftelijk van het besluit in kennis gesteld, met opgave van redenen en onder vermelding van de moge­lijkheid van beroep daartegen. Gedurende de beroepstermijn en gedurende de beroepsprocedure is het betrokken lid geschorst.

8. De commissie van beroep beslist in hoogste instantie omtrent het ingestel­de beroep binnen zes weken na ontvangst door het bestuur van het beroeps­schrift. Het betrokken lid wordt zo spoedig mogelijk van het desbetreffende besluit van die commissie schriftelijk in kennis gesteld.

Wanneer de commissie van beroep het ingestelde beroep gegrond acht, eindigt de schorsing van het betrokken lid op de dag van de dienovereenkomstige uitspraak van de commissie; wanneer de commissie van beroep het ingestelde beroep ongegrond acht, eindigt het lidmaatschap van het betrokken lid op de dag van de dienovereenkomstige uitspraak van de commissie.

9. Voordat het bestuur een besluit neemt tot opzegging van, of ontzetting uit het lidmaatschap kan het bestuur het betrokken lid schriftelijk een waarschuwing (laten) geven, vermeldende de reden(en) welke kan (kunnen) leiden tot een zodanig besluit van het bestuur. Het bestuur kan aan die waarschuwing een periode verbinden waarbinnen het betrokken lid alsnog volledig aan zijn verplichtingen ten opzichte van de vereniging moet hebben voldaan.

Het bestuur kan ook alvorens een besluit te nemen tot opzegging van, of ontzetting uit het lidmaatschap, het betrokken lid schorsen voor een periode welke ten hoogste drie maanden kan belopen.

10. De schorsing eindigt van rechtswege wanneer het bestuur niet vóór het einde van de schorsingsperiode een besluit heeft genomen hetzij tot opzegging van het lidmaatschap van het betrokken lid of tot ontzetting van dat lid uit zijn lidmaatschap, hetzij tot beëindiging van de schorsing.

Het betrokken lid ontvangt omtrent zijn schorsing een schriftelijke mededeling, vermeldende de periode gedurende welke hij is geschorst, de redenen welke tot zijn schorsing hebben geleid, alsmede de mededeling dat het bestuur zal overgaan tot opzegging van zijn lidmaatschap of ontzetting uit zijn lidmaat­schap wanneer het betrokken lid niet alsnog voor het einde van de schorsings­periode volledig aan zijn verplichtingen jegens de vereniging heeft voldaan of dat lid gedurende de schorsingsperiode dan wel daarna de overtreding(en) of handeling(en) in strijd met de statuten, het huishoudelijk reglement of de besluiten van de vereniging herhaalt.

11. De commissie ter behandeling van overtredingen, als bedoeld in artikel 16 lid 1 sub IV, is bevoegd een lid of jeugdlid te schorsen.

12. Tijdens de schorsing als vermeld in lid 7, lid 10 en lid 11 van dit artikel kunnen door het (jeugd)lid geen lidmaatschapsrechten worden uitgeoefend.

Een geschorst (jeugd)lid is verplicht de door of namens de vereniging aan hem uitgegeven toestemming(en) en overige bescheiden voor de duur van de schorsing in te leveren.

 

Aanvang en einde van het jeugdlidmaatschap

Artikel 8

  1. Het jeugdlidmaatschap van de vereniging vangt aan op de datum waarop het bestuur tot toelating van de aanvrager tot het jeugdlidmaatschap heeft besloten.
  2. Het jeugdlidmaatschap eindigt op overeenkomstige wijze als bepaald in het voorgaande artikel, met dien verstande dat tegen een besluit van het bestuur tot opzegging van het jeugdlidmaatschap of ontzetting van het betrokken jeugdlid uit zijn jeugdlidmaatschap geen beroep op de commissie van beroep mogelijk is.
  3. Het jeugdlidmaatschap eindigt ook in het geval als bedoeld in artikel 5 lid 5.
  4. De bepalingen omtrent een waarschuwing en een schorsing als vermeld in de leden 9, 10 en 11 van het voorgaande artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een jeugdlid, met dien verstande dat alle schriftelijke mededelin­gen terzake worden gericht aan de wettelijke vertegenwoordiger(s) van het betrokken jeugdlid.

 

Rechten en verplichtingen van de leden en de jeugdleden

Artikel 9

1. Het lidmaatschap van de vereniging geeft de leden het recht:
a. deel te nemen aan de ledenvergaderingen, daarin het woord te voeren en het stemrecht uit te oefenen;
b. gebruik te maken van alle door de vereniging geboden faciliteiten op het gebied van de hengelsport, neergelegd in de statuten, het huis­houdelijk reglement en/of besluiten van de vereniging;
c. deel te nemen aan door de vereniging, al dan niet in samenwerking met een andere hengelsportvereniging of een overkoepelende organisatie, georgani­seerde wedstrijden en andere activiteiten;
d. een lidmaatschapsbewijs en/of schriftelijke toestemming(en) om te vissen, te ontvangen. Deze bescheiden blijven eigendom van de vereniging.

2. Het jeugdlidmaatschap van de vereniging geeft de jeugdleden het recht:
a. deel te nemen aan de ledenvergaderingen en daarin het woord te voeren;
b. gebruik te maken van alle door de vereniging geboden faciliteiten op het gebied van de hengelsport, neergelegd in de statuten, het huis­houdelijk reglement en/of besluiten van de vereniging tenzij daarbij uitdrukkelijk is vastgelegd dat bepaalde faciliteiten niet openstaan voor jeugdleden;
c. deel te nemen aan door de vereniging, al dan niet in samenwerking met een andere hengelsportvereniging of een overkoepelende organisatie, georgani­seerde wedstrijden en andere activiteiten, tenzij door het bestuur is besloten dat deelname aan de bepaalde wedstrijd of activiteit niet voor jeugdleden openstaat;
d. een jeugdlidmaatschapsbewijs en/of schriftelijke toestemming(en) om te vissen, te ontvangen. Deze bescheiden blijven eigendom van de vereniging.

3. De leden en jeugdleden zijn verplicht:
a. de statuten, het huishoudelijk reglement en de besluiten van de vereniging na te leven;
b. voor zover niet anders is bepaald, uiterlijk binnen één maand na de aanvang van het lidmaatschap respectieve­lijk het jeugdlidmaatschap het inschrijfgeld te voldoen;
c. de jaarlijkse contributie voor leden respectievelijk jeugdleden te voldoen op de daarvoor in het huishoudelijk reglement vastgestelde wijze en tijdstippen;
d. zich te onthouden van de in het huishoudelijk reglement opgenomen overtredingen en de vergunningsvoorwaarden na te leven;
e. te voldoen aan de verzoeken van de controleurs zoals vermeld in artikel 17 en aan hen op eerste verzoek het (jeugd)lidmaatschapsbewijs en/of schriftelijke toestemming(en) om te vissen af te geven;
f. het (jeugd)lidmaatschapsbewijs en/of schriftelijke toestemming(en) om te vissen dan wel andere bescheiden of spullen van de vereniging op eerste verzoek van het bestuur aan het bestuur af te geven;
g. tot nakoming van de verplichtingen welke door de vereniging in naam van de leden en de jeugdleden zijn aangegaan.

4. Een lid of jeugdlid kan de toepasselijkheid te zijnen opzichte van een besluit van het bestuur of van de ledenvergadering waarbij de verplichtin­gen van de (jeugd)leden, -verplichtingen van geldelijke aard en/of van andere aard-, zijn verzwaard door opzegging van zijn (jeugd)lidmaatschap niet uitsluiten.

5. Alle stukken bestemd voor de vereniging, haar bestuur en overige organen en de namens haar optredende personen kunnen worden verzonden naar het daartoe door het bestuur onder meer in het verenigingsblad bekend gemaakte adres van het secretariaat.

 

Begunstigers

Artikel 10

Begunstigers zijn natuurlijke personen of rechtspersonen die zich tegenover de vereniging hebben verbonden tot een periodieke bijdrage in geld, goederen of diensten zonder daarvoor een tegenprestatie te verlangen. De minimum bijdrage in geld wordt van tijd tot tijd vastgesteld door het bestuur. Begunstigers hebben geen andere rechten dan hen bij de statuten zijn toegekend.

 

Bestuur; benoeming van bestuursleden

Artikel 11

  1. De vereniging wordt bestuurd door een bestuur, bestaande uit minimaal drie en maximaal 7 bestuursleden. Het aantal bestuursleden wordt vastgesteld door het zittende bestuur, met inachtneming van voormelde grenzen.
  2. Bestuursleden worden benoemd door de ledenvergadering uit de meerderjarige leden.
  3. De benoeming van bestuursleden geschiedt uit een niet-bindende voordracht welke voor elke vacature wordt opgemaakt door het bestuur. Een zodanige voordracht kan ook worden opgemaakt door een groep van 10 of meer leden. Een voordracht behoeft voor elke vacature slechts één naam te bevatten.
  4. De voordracht(en) van het bestuur wordt (worden) bij de oproeping voor de vergadering waarin de benoeming van bestuursleden aan de orde komt, medegedeeld. De voordracht(en) van de leden moet (moeten) uiterlijk vijf weken vóór de dag der vergadering schriftelijk bij het bestuur zijn ingediend, vergezeld van een bereidverklaring van de voorgedragen kandidaat om bij zijn benoeming tot bestuurslid die functie te aanvaarden. De voordracht(en) van de leden wordt (worden) in de agenda voor de desbe­treffende vergadering vermeld.
  5. De benoeming van een bestuurslid vindt plaats uit de opgemaakte voor­dracht(en). De ledenvergadering kan echter met tenminste tweederde van de uitgebrach­te stemmen een bestuurslid benoemen uit de meerderjarige leden buiten de opgemaakte voordracht(en) om.

 

Einde bestuurslidmaatschap; schorsing; bestuur een wettig college

Artikel 12


1. Een bestuurslid kan, ook al is hij voor een bepaalde tijd benoemd, te allen tijde door de ledenvergadering op een met redenen omkleed voorstel van alle overige bestuursleden of van tenminste 10 leden worden ontslagen of geschorst.

Een schorsing die niet binnen drie maanden gevolgd wordt door een besluit tot ontslag of tot opheffing van de schorsing eindigt door het verloop van die termijn.

Tijdens de schorsing kan de betrokkene zijn bestuursfunctie niet uitoefe­nen.

2. Ieder jaar aan het einde van de jaarvergadering als bedoeld in artikel 20 lid 2 treden tenminste 2 bestuursleden af volgens een door het bestuur op te maken rooster van aftreden waarin is bepaald dat elk bestuurslid uiterlijk aftreedt aan het einde van de jaarvergadering gehouden in het 3e jaar, volgend op het jaar waarin hij werd be­noemd.

Een volgens rooster aftredend bestuurslid is direct herbenoembaar.

Het bestuurslid dat in een tussentijdse vacature wordt benoemd neemt op het rooster van aftreden de plaats van zijn voorganger in.

3. Bij aftreden volgens rooster blijft een bestuurslid in functie totdat hij is herbe­noemd dan wel zijn opvolger is benoemd.

4. Het bestuurslidmaatschap eindigt verder:
a. door bedanken;
b. door overlijden;
c. door ontslag door de ledenvergadering;
d. door het eindigen van het lidmaatschap van de vereniging.

In de gevallen genoemd onder a. en d. treedt het bestuurslid af aan het einde van de eerste bestuursvergadering, volgend op de omstandigheid die tot zijn aftreden heeft geleid.

5. Indien het aantal bestuursleden op enig moment daalt beneden het minimum aantal als bedoeld in artikel 11 lid 1, blijft het bestuur desondanks een wettig college vormen uiterlijk tot de afloop van de eerstvolgende ledenvergadering, gehouden nadat genoemde situatie is ontstaan en door welke vergadering in de bestaande vacature(s) is voorzien zodat het bestuur weer uit tenminste drie bestuursleden bestaat.

 

Bestuursfuncties; bestuursvergaderingen; besluitvorming door het bestuur

Artikel 13

1. De ledenvergadering wijst uit de bestuursleden, op voorstel van het bestuur, een voorzitter, een secretaris en een penningmeester aan.

Overigens verdelen de bestuursleden de werkzaamheden van het bestuur in onderling overleg met inachtneming van de specifieke taken van de voorzit­ter, de secretaris en de penningmeester van het bestuur.

2. Het bestuur vergadert zo vaak als de voorzitter of een ander bestuurslid dat wenselijk acht, maar tenminste één maal per 2 maanden.

De oproeping voor een bestuursvergadering geschiedt schriftelijk of elektronisch op een termijn van tenminste 30 dagen onder vermelding van de agenda en onder toevoeging van de bij de agenda behorende bijlagen.

3. De bestuursvergaderingen worden geleid door de voorzitter en bij diens afwezigheid, door degene die daartoe door het bestuur wordt aangewezen.

Bestuursleden kunnen staande de vergadering agendapunten inbrengen mits met toestemming van de voorzitter van de vergadering.

4. Ieder bestuurslid brengt ter vergadering één stem uit.

Bestuursleden kunnen zich ter vergadering niet laten vertegenwoordigen.

5. Geldige besluiten worden genomen met gewone meerderheid van stemmen in een vergadering, waarin tenminste 5 bestuursleden aanwezig zijn.

Alle stemmingen geschieden mondeling.

Blanco stemmen worden geacht niet te zijn uitgebracht.

Bij het staken van de stemmen wordt het voorstel geacht niet te zijn aange­no­men.

6. Een unanieme schriftelijke verklaring van de gezamenlijk fungerende bestuursle­den heeft dezelfde rechtskracht als een besluit, dat op geldige wijze werd genomen in een vergadering van het bestuur.

Een zodanige verklaring wordt bewaard bij de notulen.

7. Van hetgeen er in een bestuursvergadering is besproken worden notulen gemaakt door de secretaris en bij diens afwezigheid door degene, die daartoe door de voorzitter van de vergadering wordt aangewezen, welke notulen in de volgende vergadering door het bestuur worden vastgesteld.

8. Overige regelingen met betrekking tot de bestuursvergaderingen worden door het bestuur in onderling overleg vastgesteld.

 

Bestuurstaak en bestuursbevoegdheid; dagelijks bestuur


Artikel 14


1. Behoudens de beperkingen volgens de statuten en de wet is het bestuur belast met het besturen van de vereniging, waaronder begrepen het uitvoe­ren van besluiten van de ledenvergadering.

2. Het bestuur is bevoegd:
a. tot het sluiten van overeenkomsten en het maken van afspraken met betrekking tot vis- en looprechten alsmede na voorafgaande goedkeuring van de ledenvergadering, tot het sluiten van overeenkomsten tot het kopen of op andere titel in eigendom verkrijgen, vervreemden of bezwaren van registergoederen, alsmede tot het sluiten van overeenkomsten, waarbij de vereniging zich als borg of hoofdelijk mede-schuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidsstelling voor een schuld van een derde verbindt;
b. na voorafgaande goedkeuring van de ledenvergadering, het lidmaatschap aan te vragen en te beëindigen van een overkoepelende Federatie van Hengelsportverenigingen tot welk belangengebied de vereniging behoort en aan de (jeugd)leden van de vereniging de verplichtingen op te leggen waartoe zodanig lidmaatschap de vereniging verplicht;
c. de vereniging in naam van de (jeugd)leden andere verplichtingen te laten aangaan;
d. tot het benoemen en ontslaan van de leden van de commissies als bedoeld in artikel 16 lid 4;
e. tot het aanstellen van controleurs zoals bedoeld in artikel 17.

3. De voorzitter, de secretaris en de penningmeester vormen met elkaar het dage­lijks bestuur van de vereniging en zijn als zodanig meer in het bijzonder belast met de dagelijkse gang van zaken.

 

Vertegenwoordiging

Artikel 15

De vereniging wordt in en buiten rechte vertegenwoordigd door het bestuur of door twee gezamenlijk handelende leden van het bestuur waaronder te allen tijde één lid van het dagelijks bestuur.

De vereniging kan aan de penningmeester volmacht verlenen om binnen bepaalde grenzen zelfstandig te beschikken over de geldmiddelen van de vereniging.

 

Commissies

Artikel 16


1. De vereniging kent de volgende commissies:

I       de commissie van beroep;

II        de kascommissie;

De vereniging kan verder nog de volgende commissies instellen:

III        een commissie water- en visstandbeheer;
IV       een commissie ter behandeling van overtredingen;
V        een wedstrijdcommissie,
VI       andere commissies die door het bestuur noodzakelijk of wenselijk worden geacht.

2. De commissie van beroep heeft tot taak het behandelen van en beslissen over een beroepsschrift als bedoeld in artikel 5 lid 4 en artikel 7 lid 8.

Deze commissie bestaat uit 3 leden en een zelfde aantal plaatsver­vangende leden.

De commissie is voltallig en bevoegd rechtsgeldig te besluiten wanneer zij bestaat uit het aantal leden en/of plaatsvervangende leden als bedoeld in de voorgaande zin.

De benoeming van de leden en de plaatsvervangende leden geschiedt door de ledenvergadering uit de meerderjarige leden van de vereniging welke geen deel uitmaken van het bestuur, op voordracht van het bestuur of van een groep van 10 of meer leden. Een voordracht hoeft voor elke vacature slechts één naam te bevatten.

De benoeming vindt plaats voor een periode van 5 jaar; een commissielid kan direct 2 maal worden herbenoemd.

Op de benoeming van leden en plaatsvervangende leden van de commissie van beroep zijn de bepalingen van artikel 11 leden 4 en 5 van de overeenkom­stige toepassing.

De commissie van beroep werkt onafhankelijk van het bestuur.

In het huishoudelijk reglement wordt de werkwijze van deze commissie nader geregeld.

3. De samenstelling, de wijze van benoeming en de taak en bevoegdheden van de kascommissie zijn geregeld in artikel 19 lid 4.

De kascommissie werkt onafhankelijk van het bestuur.

4. In de jaarvergadering of in een andere ledenvergadering kunnen op voorstel van het bestuur door die vergadering worden ingesteld één of meer van de commissie zoals bedoeld in lid 1 onder III, IV, V en VI.

Met betrekking tot zodanige commissies gelden de volgende bepalingen.

Het voorstel van het bestuur tot instelling van een commissie bevat de hoofdlij­nen van de taakomschrijving, bevoegdheden, werkwijze en al hetgeen nadere regeling behoeft, op te nemen in het huishoudelijk reglement voorzo­ver daarom­trent niet al reeds bepalingen in dat reglement zijn opgenomen.

De leden van een commissie worden benoemd door het bestuur uit de leden van de vereniging.

Tenminste 5 leden kunnen terzake een voorstel bij het bestuur indienen.

Commissieleden worden benoemd voor onbepaalde tijd; zij kunnen te allen tijd door het bestuur van hun functie worden ontheven.

Een commissie werkt onder verantwoordelijkheid van het bestuur.



Controle

Artikel 17

1. Tenzij het bestuur kiest voor een andere werkwijze of op basis van een besluit van een overkoepelend orgaan verplicht is tot een andere werkwijze, wordt de controle op en aan het viswater waarvan de vereniging het visrecht heeft, door het bestuur opgedragen aan één of meer door het bestuur daartoe aangewezen controleurs.

Het bestuur stelt het aantal controleurs vast en reikt aan elk van hen - al dan niet door tussenkomst van een andere (overkoepelende) organisatie - een legitimatiebewijs uit.

Een controleur wordt benoemd voor onbepaalde tijd en kan te allen tijde uit die functie worden ontheven door het bestuur.

2. De controleurs controleren op de naleving van de bepalingen van de Visserij­wet 1963 en de daarop gebaseerde overheidsvoorschriften en de bepalingen van de door of namens de vereniging uitgegeven toestemmingen, alsmede de overtre­dingen welke zijn opgenomen in het huishoudelijk reglement.

3. Houders van toestemmingen zijn verplicht de door of namens de vereniging uitgereikte toestemming(en) en andere bescheiden op eerste aanvraag aan een controleur te overhandigen ter controle.

4. De controleurs zijn verplicht zich bij een controle behoorlijk te legitimeren.

Zij zijn ook verplicht bij het constateren van een overtreding door een (jeugd)lid dit lid hierop te attenderen.

5. In het huishoudelijk reglement kunnen met betrekking tot controles en controleurs nadere regels worden opgenomen.

 

Geldmiddelen

Artikel 18

1. De geldmiddelen van de vereniging omvatten:
a. het inschrijfgeld en de contributies van de leden en de jeugdleden;
b. de bijdragen van de begunstigers;
c. de opbrengst van activiteiten van de vereniging;
d. alle overige wettig verworven baten.

2. Wanneer het (jeugd)lidmaatschap wordt beëindigd in de loop van een vereni­gingsjaar is de contributie over dat jaar voor het geheel verschul­digd. Het bestuur kan terzake ontheffing verlenen op grond van bijzondere omstandighe­den.

3. Erfstellingen zullen niet anders dan onder het voorrecht van boedelbe­schrijving worden aanvaard.



Verenigingsjaar; jaarverslag; rekening en verantwoording

Artikel 19

1. Het verenigingsjaar loopt gelijk met het kalenderjaar.

2. Het bestuur is verplicht van de vermogenstoestand van de vereniging zodanig aantekeningen te houden, dat daaruit te allen tijde de rechten en de verplichtin­gen van de vereniging kunnen worden gekend.

3. Op de jaarvergadering als bedoeld in artikel 20 lid 2, brengt het bestuur een jaarverslag over het afgelopen verenigingsjaar uit over de gang van zaken in de vereniging en over het gevoerde beleid en legt het bestuur de balans en de staat van ontvangsten en uitgaven (de jaarrekening) met een toelichting ter goedkeuring. Deze stukken worden ondertekend door de bestuurders en – indien van toepassing – commissarissen. Ontbreekt de ondertekening van één of meer hunner, dan wordt daarvan onder opgave van redenen melding gemaakt.

Goedkeuring van die rekening en verantwoording strekt het bestuur tot decharge voor zijn bestuurswerkzaamheden gedurende dat verenigingsjaar voorzover die werkzaamheden uit de overlegde stukken blijken.

4. De ledenvergadering benoemt in de jaarvergadering op voorstel van het bestuur uit de meerderjarige leden een commissie van tenminste twee personen, die geen deel mogen uitmaken van het bestuur; de kascommis­sie. De kascommissie heeft tot taak toezicht te houden op het financiële beleid van het bestuur.

De kascommissie onderzoekt de rekening en verantwoording van het bestuur en brengt de ledenvergadering schriftelijk verslag van zijn bevindingen uit.

De kascommissie is bevoegd met tenminste twee commissieleden besluiten te nemen. Besluiten worden genomen met gewone meerderheid van stemmen.

5. Het bestuur is verplicht aan de kascommissie alle gewenste inlichtingen te verschaffen, hem desgewenst de kas en de waarden van de vereniging te tonen en inzage van de boeken en bescheiden van de vereniging te geven.

De last van de kascommissie kan tussentijds door de ledenvergadering worden herroepen, doch slechts door de benoeming van een andere kascommis­sie.

6. De ledenvergadering kan, op voorstel van het bestuur, een registeraccoun­tant of andere terzake deskundige benoemen ten einde de jaarrekening te controle­ren, daarbij een toelichting op te stellen en daarover een verklaring af te leggen.

 

Ledenvergadering

Artikel 20

1. Aan de ledenvergadering komen in de vereniging alle bevoegdheden toe, die niet door de wet of de statuten aan het bestuur of aan een commissie zijn opgedragen.

2. Jaarlijks, uiterlijk in de maand juni, wordt een ledenvergadering - de jaarverga­dering - gehouden.

3. In de jaarvergadering komen onder meer aan de orde:
a. de voorziening in vacatures in het bestuur;
b. de benoeming van de kascommissie voor het lopende verenigingsjaar en de voorziening in eventuele vacatures in de commissie van beroep;
c. het jaarverslag, de jaarrekening en de toelichting daarop en de verklaring van de registerac­countant of andere deskundige, wanneer deze is benoemd;
d. het verslag van de kascommissie over het afgelopen verenigingsjaar;
e. de definitieve begroting voor het lopende verenigingsjaar en de voorlopige begroting voor het komende verenigingsjaar;
f. vaststelling van de contributie voor de leden en de jeugdleden en de hoogte van het inschrijfgeld voor het komende verenigingsjaar.

4. Andere ledenvergaderingen worden gehouden zo vaak als het bestuur dit wenst, of wanneer tenminste een zodanig aantal leden dat bevoegd is tot het uitbrengen van één tiende deel van de stemmen, dit schriftelijk aan het bestuur, onder opgave van redenen en van de te behandelen agendapunten verzoekt.

In het laatste geval is het bestuur verplicht tot het bijeenroepen van een vergadering op een termijn van niet langer dan vier weken. Indien aan het verzoek binnen veertien dagen geen gevolg wordt gegeven, kunnen de ver­zoe­kers zelf tot die bijeenroeping overgaan, door oproeping overeenkom­stig het bepaalde in het volgen­de artikel.

 

Bijeenroeping ledenvergadering

Artikel 21

1. De ledenvergaderingen worden bijeengeroepen door het bestuur, onverminderd het bepaalde in lid 4 van het voorgaande artikel en worden gehouden binnen Nederland op de plaats te bepalen door degene(n) die de oproeping voor de vergadering doet (doen) uitgaan.

2. De oproeping geschiedt schriftelijk en/of elektronisch aan de adressen van de leden, jeugdle­den en begunstigers en/of door middel van een oproep in een, binnen het gebied waarin de meerderheid van de (jeugd)leden woonachtig is, veel gelezen dagblad.

De termijn voor de oproeping bedraagt tenminste drie weken. Wanneer echter het bestuur een ledenvergadering bijeenroept op verzoek van de leden zoals bedoeld in lid 4 van het voorgaande artikel, bedraagt de termijn van oproeping tenminste twee weken.

Bij de oproeping van een ledenvergadering worden vermeld: de plaats, datum en het tijdstip daarvan en de agendapunten.

Bij de oproeping worden de op de agenda betrekking hebbende stukken meegezonden of wordt medegedeeld op welke plaatsen en vanaf welk tijdstip die stukken voor de leden, jeugdleden en begunstigers ter inzage liggen.

Elk lid heeft het recht agendapunten voor de behandeling in de ledenverga­dering schriftelijk bij het bestuur in te dienen, behoudens het geval dat het betreft een vergadering als bedoeld in lid 4 van het voorgaande artikel. Dergelij­ke agendapunten dienen uiterlijk vijf weken voor de vergadering in het bezit te zijn van het bestuur. Het bestuur neemt de door de leden ingediende agenda­punten in de agenda op tenzij zwaarwegende belangen van de vereniging zich daartegen verzetten.

3. In een ledenvergadering kan uitsluitend rechtsgeldig worden besloten ten aanzien van geagendeerde punten. In spoedeisende gevallen kan een agenda­punt staande de vergadering worden toegevoegd mits hiertoe wordt besloten met tenminste tweederde van de geldig uitgebrachte stemmen.

De voorzitter van de vergadering bepaalt op welk moment de vergadering een aldus ingelast agendapunt zal behandelen.

 

Toegang en stemrecht

Artikel 22

1. Toegang tot de ledenvergadering hebben alle leden en alle jeugdleden met inachtneming van het bepaalde in artikel 7 lid 12 en de begunstigers. Over toegang tot de ledenvergadering van anderen beslist de voorzitter van de vergadering.

2. Stemgerechtigd zijn de leden.

Door elk lid en dus ook door elk bestuurslid, kan tijdens de vergadering één stem worden uitgebracht.

3. Een lid kan zijn stem niet bij volmacht uitbrengen.

 

Voorzitterschap; notulen


Artikel 23


1. De ledenvergadering wordt geleid door de voorzitter van het bestuur.

Bij afwezigheid van de voorzitter tijdens de vergadering treedt één van de andere be­stuursleden, aan te wijzen door het bestuur, als voorzitter op.

Echter in geval het betreft een ledenvergadering als bedoeld in artikel 20 lid 4, wordt door die vergadering zelf in het voorzitterschap voorzien, hetgeen eveneens plaatsvindt wanneer de bestuursleden niet ter vergadering aanwezig zijn.

2. Van het verhandelde in de ledenvergadering worden door de secretaris van het bestuur en bij diens afwezigheid door degene die daartoe door de voorzitter van de vergadering wordt aangewezen, notulen gemaakt.

Deze notulen worden aan de volgende ledenvergadering ter goedkeuring voorgelegd.

 

Besluitvorming van de ledenvergadering

Artikel 24


1. Voorzover de statuten niet anders bepalen, worden alle besluiten door de ledenvergadering genomen met gewone meerderheid van de geldig uitge­brachte stemmen.

2. Blanco stemmen en ongeldige stemmen worden beschouwd als niet te zijn uitgebracht.

3. Over zaken wordt mondeling gestemd, over personen wordt schriftelijk gestemd, onvermin­derd de mogelijkheid om op voorstel van de voorzitter van de vergadering een besluit te nemen bij acclamatie.

4. Indien bij een verkiezing van personen geen van de kandidaten het vereiste aantal stemmen heeft verkregen, wordt herstemd over de twee kandidaten, die in eerste instantie de meeste stemmen op zich verenigden.

Mochten door gelijkheid van stemmen-aantal meer dan twee personen voor de herstemming in aanmerking komen, dan wordt door een tussenstemming uitgemaakt over welke twee van hen zal worden herstemd, casu quo over welke van hen tezamen met de kandidaat die in eerste instantie het hoogste aantal stemmen verwierf, zal worden herstemd.

Bij herstemming en tussenstemming is diegene verkozen, die de meeste stemmen op zich verenigt.

Indien bij een herstemming of tussenstemming de stemmen staken, beslist het lot.

5. Staken de stemmen bij een andere stemming dan wordt het voorstel geacht niet te zijn aangenomen.

 

Statutenwijziging

Artikel 25


1. In de statuten van de vereniging kan alleen verandering worden gebracht door een besluit van een ledenvergadering waartoe is opgeroepen met de mededeling dat op die vergadering wijziging van de statuten zal worden voorgesteld.

2. Zij die de oproeping tot de ledenvergadering ter behandeling van een voorstel tot statutenwijziging hebben gedaan, moeten tenminste twee weken vóór de dag van die vergadering een afschrift van dat voorstel, waarin de voorgestelde wijziging woordelijk is opgenomen, op twee of meer daartoe geschikte plaatsen voor de leden ter inzage leggen tot de afloop van de dag, waarop de vergade­ring wordt gehouden.

De plaatsen waar het voorstel voor de statutenwijziging ter inzage ligt, worden bij de oproeping voor de vergadering bekend gemaakt. Tevens kan het voorstel tot wijziging van de statuten worden opgenomen in het vereni­gingsblad.

3. Wanneer de vereniging lid is van een Federatie van Hengelsportverenigingen dient een voorstel tot wijziging van de statuten voorafgaand ter goedkeu­ring aan die Federatie te worden voorgelegd.

4. Een besluit tot wijziging van de statuten behoeft tenminste twee derde van de geldig uitgebrachte stemmen in een vergadering waarin tenminste 20 procent van het aantal leden van de vereniging per één januari van het desbetreffende jaar, aanwezig is.

5. Wanneer in een vergadering, waarin een voorstel voor een statutenwijziging aan de orde komt, niet het overeenkomstig het voorgaande lid vereiste aantal leden aanwezig is, wordt tenminste zes weken en ten hoogste tien weken na de eerste vergadering een volgende vergadering (de "tweede vergadering") gehouden, waarin een besluit tot wijziging van de statuten kan worden genomen, ongeacht het aantal ter vergadering aanwezige leden, maar met een meerderheid van tenminste tweederde van de geldig uitgebrach­te stemmen.

Bij de oproeping voor de tweede vergadering wordt medegedeeld dat het een tweede vergadering betreft als bedoeld in dit artikel en dat aldaar kan worden besloten over de voorgestelde statutenwijziging ongeacht het aantal ter vergadering aanwezige leden.

Het voorstel voor de statutenwijziging wordt opnieuw ter inzage gelegd zoals voorgeschreven in het voorgaande lid 2, waarvan in de oproeping voor de tweede vergadering melding wordt gemaakt.

6. Een statutenwijziging treedt niet in werking dan nadat hiervan een notariële akte is opgemaakt.

Ieder bestuurslid is bevoegd om de gewijzigde statuten in een notariële akte te laten opnemen en om deze akte te tekenen.



Ontbinding en vereffening

Artikel 26

1. De vereniging kan worden ontbonden door een besluit van de ledenvergade­ring.

Het bepaalde in de leden 1 tot en met 5 van het voorgaande artikel is daarbij van overeenkomstige toepassing.

2. Het bestuur is belast met de vereffening van het vermogen van de ontbonden vereniging, tenzij bij het besluit tot ontbinding andere vereffenaars worden aangewezen.

3. De bestemming van het batig saldo wordt, op voorstel van het bestuur bepaald door de ledenvergadering bij het besluit tot ontbinding, welke bestemming zoveel mogelijk in overeenstemming met het doel van de vereni­ging dient te zijn.

 

Huishoudelijk reglement

Artikel 27

  1. De ledenvergadering zal, op voorstel van het bestuur, een huishoudelijk reglement vaststellen en kan in een aldus vastgesteld reglement aanvullin­gen en wijzigingen aanbrengen.
  2. Een huishoudelijk reglement mag niet in strijd zijn met de wettelijke bepalingen, ook waar deze geen dwingend recht bevatten, noch met de statuten.
  3. Het bepaalde in artikel 25 lid 3 is van overeenkomstige toepassing op de vaststelling en de aanvulling of wijziging van het huishoudelijk regle­ment.
 


Geschillen

Artikel 28

Alle geschillen welke tussen een orgaan van de vereniging of namens de vereni­ging optredende personen en leden van de vereniging mochten ontstaan worden bindend beslist door het bestuur.